Sep 2012 Jan Hendrickx in reactie op Reactie op het artikel over Passend Onderwijs “Ondersteun de leerkracht” in De Limburger van 18 september.

Dag Monique,

Ik heb met aandacht je artikel gelezen. Hierbij een reactie.

Een belangrijke hindernis voor passend onderwijs is het gegeven, dat leraren gebruik moeten maken van methodes die afgestemd zijn op een “gemiddelde” leerling. Vaak geven deze methodes ook wat extra materiaal voor de betere leerling en wat ondersteunend materiaal voor de zwakkere leerling. Onderwijs zou echter niet uit dienen te gaan van wat de “gemiddelde” leerling bereiken kan, maar wat ieder kind voor zich bereiken kan, dus aansluiten bij de natuurlijke ontwikkeling en interesses van de afzonderlijke leerlingen.
En daar schrikt men voor terug, want wat doe je met kinderen die veel te vroeg met bepaalde processen starten (lezen met 4 jaar) of die juist meer tijd nodig hebben dan de “gemiddelde” leerling? Uit eigen ervaring – naast 33 jaar directeur ook 30 jaar een eigen klas gehad – kan ik zeggen, dat je in zo’n situatie het onmogelijke van leraren vraagt. Het is niet doenlijk om met materiaal dat afgestemd is op de “gemiddelde” leerling, niveauverschillen van meerdere jaren binnen je klas op te vangen. Je bent vaak al blij als je erin slaagt de boeken voor dat schooljaar afgerond te hebben en de meeste leerlingen redelijk beheersen wat er aan bod is geweest.
De bottleneck in dit systeem zijn de methode en de leraar. Als leerlingen de kans krijgen zich binnen hun mogelijkheden in eigen tempo en op eigen niveau te ontwikkelen, is passend onderwijs nabij. Daarvoor moeten leraar en leerlingen echter kunnen beschikken over instrumenten die dit mogelijk maken. Met de komst van het digitale tijdperk is hierin veel meer mogelijk dan voorheen. Oefenprogramma’s zoals de Rekentuin van de Universiteit van Amsterdam zijn digitaal en adaptief, dat wil zeggen passen zich aan aan wat een leerling kan zonder dat de leraar daar iets voor moet regelen. Hierdoor ontstaat zowel voor de leraar als de leerling meer ruimte. Voor de leraar valt veel organisatie en administratie weg, hij krijgt alle tijd om zich bezig te houden met het primaire proces, namelijk hoe zijn kinderen leren. Hierbij kan hij meer tijd besteden aan de leerlingen die wat meer ondersteuning behoeven. Voor de leerling is het prettig vooruit te kunnen binnen zijn eigen mogelijkheden, dus op eigen niveau en in eigen tempo.

Vorig jaar zijn we met een aantal scholen gestart met de eerste digitale reken/wiskunde methodiek MATH. L1 t.v. heeft daar in september 2011 nog aandacht aan besteed. Naast behoorlijke resultaten (CITO) valt op dat leerlingen meer plezier hebben in rekenen en leraren meer plezier in hun werk. In dit proces is het van groot belang dat de leraar meegroeit in deze nieuwe aanpak. In het begin is er grote angst voor het loslaten van de leerlingen, het verliezen van de controle. Een goede ondersteuning van de leraar, zowel in als buiten de klas, is dan van groot belang. Het wennen aan rollen als friendly mediator, teacher en coach vergen tijd en ervaring. Maar dan begint men te beseffen dat het keurslijf van de methode wegvalt en men zich geheel kan richten op waar onderwijs voor bedoeld is: optimale ontwikkelingsmogelijkheden bieden voor ieder kind.

Jan Hendrickx Grondlegger Leonardo onderwijs
Grondlegger EXOVA: excellent onderwijs voor allen